Brief aan Minister Kris Peeters

07-08-2018

Samen met de departementshoofden van alle Belgische universiteiten en onze Franstalige collega's van APTO werd een schrijven gericht aan minister Kris Peeters om zijn aandacht te vragen voor ons expertisegebied dat zich richt op de rol van een werknemer binnen een organisatiecontext in functie van een optimaal professioneel functioneren en welzijnMeer informatie over de context in onze Nieuwsbrief.

 

Aan de Heer Kris Peeters, Vice-Eerste Minister, Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel,
 
Geachte Heer Minister,
Vanuit de Belgische beroepsverenigingen Arbeids- en Organisatiepsychologie (VOCAP: Vereniging van Organisatie-, Consumenten-  en Arbeidspsychologie; APTO: Association pour la Psychologie du Travail et des Organisations) en vanuit de universitaire onderzoekseenheden binnen hetzelfde domein, willen wij u onze bezorgdheid overmaken m.b.t. de mogelijke impact van de wettelijke erkenning van het beroep van klinisch psycholoog als gezondheidszorgberoep(1) op het werkterrein van de arbeids- en organisatiepsychologen. (1 Wet op de Uitoefening van de Gezondheidszorgberoepen, zoals gewijzigd door de Geestelijke GezondheidsZorg-wetten van 4 april 2014 en 10 juli 2016.)
Vooreerst wensen wij te benadrukken dat we de wettelijke erkenning van het beroep van klinisch psycholoog als gezondheidszorgberoep zeer toejuichen en ondersteunen. Dank zij deze wettelijke erkenning zal de klinische psychologie veel toegankelijker worden voor cliënten en patiënten en zal de klinische psychologie ook een veel duidelijkere plaats innemen in de gezondheidssector. Dit zal zowel in het voordeel zijn van de cliënten en patiënten die een beroep willen doen op een klinische psycholoog, als voor de bredere Belgische maatschappelijke context aangezien er meer psychologische zorg kan aangeboden worden. Wij hopen dus oprecht dat deze regering er in deze legislatuur in zal slagen de uitvoeringsbesluiten bij de wet op de klinische psychologie uit te vaardigen zodat de wettelijke erkenning van het gezondheidsberoep van klinische psycholoog in voege kan treden.
Onze bezorgdheid is echter dat de wet zeer breed is gedefinieerd en dat – indien de uitvoeringsbesluiten het toepassingsgebied van deze wet niet duidelijk afbakenen – het reële risico bestaat dat er in de toekomst een dynamiek zal ontstaan waarbij klinisch psychologen belangrijke domeinen waarin arbeids- en organisatiepsychologen een unieke competentie hebben en actief zijn, onterecht zullen opeisen. Wij denken dan bijvoorbeeld aan het terrein van stress op de werkvloer, de burn-out problematiek, de werkgerelateerde individuele coaching, en mogelijk ook het hele activiteitengebied van de preventieadviseurs psychosociale aspecten. Het risico bestaat dat deze (en andere domeinen) op basis van hun mogelijke impact op de mentale gezondheid van mensen exclusief zouden worden voorbehouden voor klinisch psychologen. 
In de wet richt het beroep van klinisch psycholoog zich op echt dan wel ingebeeld psychisch of psychosomatisch lijden binnen een klinisch psychologisch kader. Wij vrezen evenwel dat men zou kunnen argumenteren dat elke situatie waarbij een werknemer in zijn/haar werksituatie regelmatig (al dan niet matige) negatieve emoties ervaart (bijvoorbeeld in een situatie waar pesten aan de orde is), kan worden omschreven als psychisch lijden waarbij de geestelijke gezondheid in het geding is, en dus exclusief tot het domein van de klinische psycholoog zou behoren. Dit is niet alleen problematisch voor de arbeids- en organisatiepsychologen als beroepsgroep, maar is ook nadelig voor de werknemers zelf die daarmee niet de meest aangewezen psychologische dienstverlening zullen krijgen. Veel van het psychisch lijden op het werk kan immers het gevolg zijn van het werk zelf en de bredere organisatiecontext en vereist interventies op basis van specifieke arbeids- en organisatiepsychologische referentiekaders. Daarin hebben arbeids- en organisatiepsychologen expertise en kunnen zij bogen op unieke competenties. Op basis van de wet kunnen klinisch psychologen daarop zelfs geen beroep doen, aangezien de wet voorziet dat zij werken vanuit een wetenschappelijk onderbouwd klinisch psychologisch referentiekader. Het gevaar bestaat dus dat deze wet binnen de werkcontext zal leiden tot een afname, eerder dan een toename van de meest adequate psychologische hulpverlening. 
Wij willen u dan ook vragen om de uitwerking van de uitvoeringsbesluiten van de vermelde wetgeving, die op het interkabinettenoverleg zullen besproken worden, van nabij op te volgen. Daarbij dringen we er op aan om er samen met ons op toe te zien dat deze expliciet zouden vermelden dat er van zorg vanwege de klinisch psycholoog enkel sprake kan zijn wanneer (1) echt dan wel ingebeeld psychisch of psychosomatisch lijden wordt behandeld (inclusief preventie), (2) vanuit een wetenschappelijk onderbouwd klinisch psychologisch referentiekader (3) met als primaire doelstelling de gezondheidszorg, (4) binnen de grenzen van de klinische competenties. Indien in de uitvoeringsbesluiten duidelijk wordt gesteld dat deze vier componenten samen aanwezig moeten zijn om te kunnen spreken van het beroep van klinisch psycholoog, zou er in principe geen probleem mogen zijn voor arbeids- en organisatiepsychologen (en andere psychologen). Het vrijwaart het bestaand wetenschappelijk onderbouwd arbeids- en organisatiepsychologisch referentiekader als expertisegebied, dat zich richt op de rol van een werknemer binnen een organisatiecontext met het oog op een optimaal professioneel welzijn en functioneren. Terwijl heel wat arbeids- en organisatiepsychologen wel degelijk diensten aanbieden die een weerslag hebben op menselijk psychologisch lijden en die een impact hebben op de geestelijke gezondheid van de participanten, doen ze dit niet met gezondheidszorg als primaire doelstelling (maar met optimaal functioneren binnen de werkcontext als primaire doelstelling), doen ze dit vanuit arbeids- en organisatiepsychologische kaders en op basis van arbeids- en organisatiepsychologische competenties. Het spreekt bovendien voor zich dat indien de arbeids- en organisatiepsycholoog een problematiek ervaart (bijv. ernstige depressieve symptomen bij burn-out) die buiten zijn of haar competentiegebied valt de deontologische code voorschrijft dat een doorverwijzing naar een klinisch psycholoog genoodzaakt is. Dit waarborgt dat elke psycholoog binnen de eigen competentie werkzaam is. 
 
Met de meeste hoogachting, 

 


Namens de beroepsverenigingen Arbeids- en Organisatiepsychologie
 
  
Noël Derdaele (VOCAP)    Johan Parisse (APTO)
 
 
 

De afgevaardigden van de Nederlandstalige universiteiten in de werkgroep competenties Arbeids- en Organisatiepsychologie
 
 
Prof. dr. Jeroen Stouten (KULeuven)    Prof. dr. Roland Pepermans (VUB)   
 
Prof. dr. Johnny Fontaine (UG)
 

 

 
De afgevaardigden van de Franstalige universiteiten vanuit de opleidingen Arbeids- en Organisatiepsychologie
   
Prof. dr. Florence Stinglhamber (UCL)   Prof. dr. Cécile van de Leemput (ULB)
 
Prof. dr. Isabelle Hansez (ULg)

 
Deel dit bericht
Deel dit bericht